Tandheelkundig lexicon vaktermen S
Begrippen van Schaltlücke tot subgingival
Schaltlücke (tandeloze ruimte binnen de tandenrij), het ontbreken van een of meer tanden binnen een tandenrij; de ruimte wordt altijd door tanden begrensd.
Scherenbiss (schaarbeet), bitvorm waarbij de snijtanden schaarvormig over elkaar grijpen. Overbeet van de bovenste snijtanden over een derde van de onderste.
Schleimhautgetragene Prothese (slijmvliesgedragen prothese), prothese waarvan de basis op het slijmvlies rust.
Schleimhaut (slijmvlies), tere, bloedvatrijke, slijm afscheidende bekleding van holle organen in het lichaam, bijv. in neus, mond, longen en spijsverteringskanaal.
Schneidezahn (snijtand), fronttand.
Zähne
Sedierung (sedatie), demping van pijn
Sinuslift (sinuslift), de benaming voor een chirurgische ingreep in de tandheelkunde. De bodem van de kaakholte (=sinus) wordt operatief opgetild en de daaronder ontstane vrije ruimte wordt met eigen bot en/of botvervangingsmateriaal opgevuld. De ingreep vindt in de regel plaats om in de bovenkaak voldoende botvolume te krijgen voor het plaatsen van implantaten.
Implantaten
Sofortimplantation (immediate implantatie), implantatie onmiddellijk na tandverlies.
Stationäre Behandlung (klinische behandeling), de behandeling vindt plaats in het ziekenhuis, het tegenovergestelde van
Ambulant
Steg (staaf), dient als houvast- en steunelement voor een uitneembare partiële prothese. Hij is van metaal, staafvormig en wordt tussen twee kronen bevestigd. De partiële prothese klikt op de staaf vast.
Sterilisation (sterilisatie), de sterilisatie moet instrumenten en materialen van levende micro-organismen bevrijden. Virussen, sporen en micro-organismen worden gedood.
subgingival (subgingivaal), gelegen onder het tandvlees respectievelijk onder de tandvleesrand aan de tand.
Gingiva